Welk aandeel van de nutriënten eindigt op ons bord?

Onderzoek naar efficiëntie van voedselkringlopen in de circulaire economie.
Welk aandeel van de nutriënten eindigt op ons bord?

Inzet op de eiwittransitie met meer plantaardige voeding levert een belangrijke bijdrage aan de circulaire economie en een duurzamer voedselsysteem. Dat wijst een studie van WUR uit, dat in opdracht van provincie Gelderland is uitgevoerd.

In een circulaire economie wordt onnodig gebruik van primaire grondstoffen vermeden en efficiënt omgegaan met grondstoffen. Dat geldt ook voor ons voedsel: als we voedsel blijven verbouwen en eten zoals we doen, putten we de aarde uit. Bij de productie en consumptie van voedsel gaat een groot deel van de grondstoffen verloren. Daarom stimuleert provincie Gelderland de overgang naar een het circulair voedselsysteem, gebaseerd op meer plantaardige eiwitten, voorkomen van voedselverspilling en hoogwaardige toepassing van reststromen.

Over de grondstofefficiëntie zijn echter niet zoveel eenduidige cijfers beschikbaar. Daarom heeft de provincie Gelderland de WUR gevraagd uit te zoeken hoe de verschillende voedselproducten zich wat dat betreft tot elkaar verhouden.

Onderzoek naar grondstofefficiëntie

WUR heeft op basis van beschikbare literatuur voor een aantal voedselproducten, zoals kaas, melk, vlees, vleesvervangers, brood en enkele groenten, de mate van grondstofefficiëntie bepaald. De efficiëntie is uitgedrukt als de hoeveelheid droge stof in het levensmiddel of product ten opzicht van het droge stof-gewicht van de gewassen nodig voor het levensmiddel.

Voor plantaardige producten is uitgegaan van het geoogste gewas, en voor dierlijke producten van (overwegend plantaardig) veevoer. In dit onderzoek is de hele keten van teelt tot en met aankoop door de consument meegenomen, inclusief de voedselverspilling per schakel in de keten.

De weg van grond tot mond

Het onderzoek richt zich op de omzetting van gewassen naar verschillende dierlijke (vlees, zuivel, kaas, eieren) en plantaardige (groente, vleesvervangers, brood) levensmiddelen en de verliezen die daarbij optreden op de weg van boer tot bord, van grond tot mond.

De onderzoekers, Martijntje Vollebregt en Jan Broeze, constateren daarbij op basis van massabalansen voor diverse voedselproducten het volgende:

  1. Plantaardige voedingsmiddelen hebben een hogere grondstofefficiency dan dierlijke producten.
    Bij de omzetting treden verliezen op. Bij dierlijke levensmiddelen zijn die het grootst, omdat dieren voedingsstoffen nodig hebben voor de eigen (energie)huishouding; het voer wordt daarbij deels omgezet in CO2, methaan, water en mest. De verschillen tussen grondstofefficiëntie tussen varkensvlees, kip, melk en eieren zijn relatief klein. Voor Nederlands rundvlees is het heel complex om tot een quotiënt te komen, omdat het voor 95% om melkvee gaat. Het vlees is dan merendeels een bijproduct van de melkproductie. Van buitenlandse rundvlees zijn onvoldoende data beschikbaar om dat in het kader van deze opdracht te bepalen. Voor plantaardige levensmiddelen is het behoud van nutriënten beter, zoals uit figuur 1 is af te leiden.
  2. Onbewerkt beter dan bewerkt en verwerkt.
    Zijn de plantaardige producten niet of nauwelijks bewerkt, dan is de efficiëntie het hoogst. Voor plantaardige vleesvervangers zit de efficiëntie tussen die van dierlijke en nauwelijks bewerkte plantaardige producten in. Dit komt door het gebruik van bewerkte en geconcentreerde ingrediënten, zoals concentraten. In het rapport is per categorie toegelicht hoe de berekening tot stand gekomen is en waar exact rekening mee gehouden is.
  3. Voedselverspilling beïnvloedt de efficiëntie
    Bij de productie van voedsel is door allerlei oorzaken sprake van (voedsel)verspilling in alle schakels van de keten: de teelt, het bewaren, de ver- en bewerking van grondstoffen, het transport, het sorteren en snijden en/of bederf. Verliezen bij de consument zijn aanzienlijk, maar deze zijn buiten deze studie gelaten.

Nuances bij dit onderzoek

De werkelijkheid is natuurlijk altijd wat genuanceerder. Dierlijke productievormen hebben weliswaar een aanzienlijk lagere grondstofefficiëntie dan plantaardige, maar doordat veel veevoeders en veevoedergrondstoffen een hogere productiviteit per hectare hebben dan verschillende grondstoffen voor plantaardige levensmiddelen, ligt de productiviteit per hectare minder ver uiteen. Hier kunnen plantaardige voedingsmiddelen (en vleesvervangers) nog een aanzienlijke efficiencyslag maken. Daarnaast worden in veevoeder veel bijproducten uit de levensmiddelenindustrie gebruikt.

Bij dit onderzoek is beperkt rekening is gehouden met (nuttige) bijproducten, die de efficiëntie positief beïnvloeden en is geen rekening gehouden met verschillen in kwaliteit, bijvoorbeeld qua aminozuursamenstellingen en opname van voedingsstoffen in het lichaam.

En als het productierendement van een scheidingsproces alleen voor één resulterende fractie wordt bekeken, kan het rendement laag zijn. Echter, als meerdere fracties van de scheiding waardevol worden toegepast, is het correcter om de afzonderlijke rendementen te combineren. Ontwikkelingen waarbij reststromen die voorheen als afval werden beschouwd maar nu hoogwaardig worden ingezet, leiden daarom tot verbetering van grondstofefficiëntie.

Conclusie en aanbevelingen

Uit de resultaten komt naar voren dat veranderingen in wat we eten kunnen leiden tot een beter behoud van de macronutriënten in de keten, en daarmee tot een duurzamere voedselketen. Vervanging van vlees en zuivel voor plantaardige alternatieven verbetert de totale efficiëntie. Als we alle dierlijke producten in ons gangbare menu zouden vervangen, verbetert de efficiëntie met ruim 45%, stellen de onderzoekers. Vlees en zuivel zijn circa 38% van de consumptie, waarmee theoretisch 17% aan grondstofefficiëntie gewonnen kan worden door over te gaan naar een plantaardig menu.

Verder wijzen de onderzoekers er ook op dat zowel voor plantaardige als dierlijke voedingsmiddelen geldt dat meer onbewerkt voedsel, reductie van voedselverspilling en het zo hoogwaardig mogelijk gebruik van reststromen de totale grondstoffenefficiëntie verbetert.

Aanbevelingen 

Op grond van de analyses uit dit onderzoek komt de WUR met de volgende aanbevelingen voor het verbeteren van de grondstofefficiëntie omwille van een meer circulaire economie:

  • Stimuleer de consumptie van plantaardige levensmiddelen
  • Reduceer voedselverspilling in de keten
  • Behoud nutriënten uit voedselresten die niet te vermijden zijn zo goed mogelijk in de voedselketen, bijvoorbeeld door gebruik in levensmiddelen en veevoer
  • Verhoog de opbrengsten van gewassen per hectare om de impact te verkleinen.